ik _______ ewout.
ewout is _______.
ewout heeft ________ nodig.
Ik wil ewout ________.
ewout kan _________.
Op een dag zal ewout __________.
ewout doet mij denken aan _________.
Zonder ewout was ik ________.
ewout is altijd _________.
Het slechtste aan ewout is ________.
Het beste aan ewout is __________.
Ik denk dat ewout __________.
Ik denk dat ewout nu aan ________ denkt.
ewout laat mij _______.
Dit nummer _______ van _______ doet mij denken aan ewout.
1 Wie ben je?
2 hoe oud ben je?
3 waar ken je me van?
4 beschrijf me in 1 woord?
5 geef me een bijnaam en waarom je die hebt gekozen.
6 zouw je me kussen?
7 ben je verliefd op mij of geweest?
8 op welke school zit je?
9 ben ik aardig?
10 hoe goed ken je me?